Terechte kritiek op systeem van CE-Markering?

Het systeem van CE-markering is onder andere door een rapport van de Algemene Rekenkamer negatief in het nieuws gekomen. DARE!! is echter van mening dat deze kritiek maar ten dele gerechtvaardigd is.

De kritiek van de Algemene Rekenkamer betreft onder andere het systeem van zelfcertificatie; het overlaten van taken aan private partijen; het gebrek aan markttoezicht; het gebrek aan harmonisatie; en de relatief hoge kosten. Bij enkele Europese richtlijnen is inderdaad sprake van zelfcertificatie, waarbij de verantwoordelijkheid bij de fabrikant wordt gelegd. Die kan ervoor kiezen niets te doen, maar is dan echter wel in overtreding en als het ontdekt wordt, blijft het niet zonder gevolgen. Het niet aanbrengen van de CE-markering of het niet hebben van een geldige EU-conformiteitsverklaring is een overtreding van de wet Economische Delicten met straffen tot 6 maanden hechtenis of een geldboete van EUR 20.500 per overtreding. Met de komst van de CE-markering heeft ook een liberalisatieslag plaatsgevonden, resulterend in zogenaamde Notified Bodies – private partijen die door de lidstaat worden aangewezen, in veruit de meeste gevallen op basis van accreditatie met daarnaast nog een jaarlijkse audit en toezicht door de relevante inspectie. Tussen de lidstaten kunnen zodoende inderdaad kwaliteitsverschillen bestaan. Het rapport geeft aan dat er te weinig markttoezicht is. Het probleem is echter niet zozeer dat bepaalde verantwoordelijkheden aan de industrie worden overgelaten maar dat het aan adequaat toezicht schort. Door forse bezuinigingen zijn verschillende inspecties (ook in Nederland) in sterke mate ‘wegbezuinigd’, uiteraard ten koste van de effectiviteit. Bij één interne markt hoort onlosmakelijk harmonisatie: het gelijktrekken van normen, kwaliteit en regels. Dit is niet alleen belangrijk voor de veiligheid van producten. Inmiddels worden (om een voorbeeld te noemen) Notified Bodies voor de richtlijn Medische Hulpmiddelen (MDD) niet langer alleen door de lidstaat aangewezen maar door een samenwerking van de betreffende inspectie uit de lidstaat en een zogenaamd Joint Inspection Team (JAT). Het JAT is samengesteld uit leden van de Europese commissie en ambtenaren uit ander lidstaten. Er is tenslotte sprake van relatief hoge kosten, waarbij men zich natuurlijk als eerste moet afvragen wat veiligheid eigenlijk mag of moet kosten. Voor de invoering van de CE-markering moesten producten ook (verplicht) gekeurd worden, en tevens moest de keuring voor elke lidstaat opnieuw worden uitgevoerd. Bovendien hadden de verschillende nationale keuringsinstanties destijds een monopolie wat tot hogere kosten leidde. Samenvattend kan worden gesteld dat het systeem van CE-markering op enkele punten zeker nog voor verbetering vatbaar is. Maar hoewel een absoluut risicovrije samenleving een onmogelijkheid is, draagt het CE-systeem er zeker toe bij bepaalde (product)risico’s beter beheersbaar te maken.