De paradox viert weer hoogtij. Een kreunende en steunende overheid, krakende en piepende monetaire wereld, ze zien helemaal niets van de prachtige ontwikkelingen in de economische infrastructuur van Nederland. De ene na de andere grote investering in de kenniseconomie komt tot stand. Tegelijk is het moord en brand in de krant, op tv, in de politiek, bij de bank.
Ben ik nu overdreven, gemaakt optimistisch? Misschien, maar niet geheel zonder reden. Danone, Heinz, FrieslandCampina, zomaar drie voedingsmiddelenconcerns die zwaar investeren in nieuwe research laboratoria van internationale betekenis in ons landje. Mijn optimisme wordt gevoed door de voorbereiding van een prachtige conferentie over foodautomation & labtech, op 8 november. Productie en research in de voedingsmiddelen waardeketen blijken keihard naar elkaar toe te groeien. Ons boerenlandje wordt een kenniseconomie.
In pharma zijn we nooit heel erg groot geweest. België had met Janssen en Solvay eigenlijk meer dan wij. Maar het gaat niet meer om grote productiebedrijven. De API-dag, Automation in Pharmaceutical Industry van 11 oktober toonde het nog veel sterker aan. Nog meer dan in de food, draait de pharma waardeketen op kennis, research, procestechnologie. Productie kan bij CMO’s, contract manufacturing organizations, ook voor medicijnen. Dat kan overal in de wereld. Maar de kennis die nodig is, de labs met hoogwaardige apparatuur, die komt meer en meer hier bij ons te liggen. Astellas, Prosensa, Synthon, het zijn een paar namen die heel snel Organon en Solvay doen vergeten.
Het zijn wat voorbeelden, en ze zijn er ook, misschien nog iets priller, in de microsysteem- en nanotechnologie. Het zijn voorbeelden van resultaten van initiatieven uit het verleden. Voorgaande kabinetten hadden aardgasbaten te besteden. Ze kozen voor stimulering van technologie, voor infrastructuur. Misschien werd het geld niet altijd even efficiënt besteed. Misschien had men moeten zien dat het Philips-concern niet meer verder zou groeien. Maar het heeft effect gehad. De mindset in Nederland is verbeterd, heeft investeringen aangewakkerd. Het imago in het buitenland is versterkt. Heel bijzonder dat een Frans concern als Danone voor Utrecht kiest om daar juist de R&D match te maken tussen food en pharma.
En dan nog iets, de vaak onbegrepen en belachelijk gemaakte investeringen in de Betuwelijn en de tweede Maasvlakte. De recente opstart van de biodieselfabriek van het Finse Neste Oil in de Europoort is weer zo’n voorbeeld van verdere versterking van de infrastructuur die gewoon geld oplevert voor onze economie. Du Pont de Nemours in Dordrecht kondigt de eerste grote investering aan sinds jaren en jaren, en zo is er nog een heel rijtje.
Laat ik nog een mooi verschijnsel van de kenniseconomie noemen, infrastructureel resultaat van jaren ploeteren. Ik heb het over IP, intellectual property, hoe je geld verdient met kennis. De door de overheid gefinancierde kennisinstituten gingen daar decennialang heel krampachtig mee om, vooral in de samenwerking met niet al te grote bedrijven. Wie samen met een kennisinstituut een ontwikkeling wilde realiseren, moest bij elke handdruk zijn vingers natellen. Bracht je zelf kennis in waarmee het kennisinstituut, tegen betaling, voor jou iets ging uitwerken, dan kon het gebeuren dat je daarna voor je eigen ingebrachte kennis moest gaan betalen. Soms kwam je die kennis tegen in producten die dat kennisinstituut voor jouw concurrent ging ontwikkelen. Jouw kennis, verrijkt met overheidsgeld, jouw belastingcenten, mocht je terugkopen. Dat is drie keer betalen voor hetzelfde resultaat.
Ik zeg niet dat we hebben bereikt dat zoiets nooit meer voor kan komen, maar we zijn een eind op weg. Via het parlement, jazeker, de politiek, kregen we het ministerie en de instituten aan tafel. Het lukte om elkaar te overtuigen dat er naar echte samenwerkingsvormen gekeken ging worden. De regels, lees leveringsvoorwaarden, zijn aangepast en we zijn gezamenlijk workshops gaan doen waarin in ongekende openheid ervaringen worden gedeeld, ter lering en het maken van winst, zou je bijna zeggen.
Ook dat is een vorm van infrastructuur, kenniseconomie, dat je leert samen te werken, niet kennis te delen, maar te vermenigvuldigen. Weet je waar de focus op kwam te liggen? Het beantwoorden van de vraag hoe je omgaat met het beëindigen van een samenwerking. Hoe belangrijk dat kan zijn, dat je vooraf weet dat als je uit elkaar wilt gaan in de toekomst, dat er dan geen bloed hoeft te vloeien. Wat een rust en vertrouwen kan dat geven in een samenwerkingsverband.
Alles koek en ei en geweldig nu? Nee, natuurlijk niet. De schaduwkant van de paradox laat niemand onberoerd. Met wat er tot stand is gekomen, hebben we geleerd hoe investeren, ook door de overheid, de economie verder kan helpen. Als we nu allemaal al somberend elk geloof in het functioneren van ons ruilmiddel, de euro of andere valuta, verliezen, ja dan houden we het misschien nog een poosje uit omdat we nu zo’n mooie infrastructuur hebben, maar dan gaat de verdere ontwikkeling echt stokken.
Gouden kansen liggen er nog, maar ze moeten wel worden verzilverd.


