Column & Opinie

De elitaire techneut

Wie met enige regelmaat mijn stukjes tekst leest, die weet dat ik enige fascinatie heb met het begrip paradox, schijnbare tegenstelling. Het was meer dan dat waarom ik op het puntje van mijn stoel zat tijdens de Dag van de Ingenieur kortgeleden bij Tata Steel in Velsen Noord. Het was ook een soort van ‘hé, nu zie ik het opeens', een eye-opener dus. U kent het wel, de jammerklacht dat techniek en technologie, het ingenieurs'dom' onderbelicht en ondergewaardeerd wordt, dat er te weinig aandacht voor is, dat op scholen te weinig wordt gestimuleerd om bèta-vakken te kiezen, dat ‘we', de ingenieurs, te weinig in DWDD op de TV komen, dat daarmee onze hele toekomst op het spel staat. En het is wáár, vooral dat laatste, over onze toekomst. ‘Wij, techneuten, zijn te bescheiden' werd er weer eens geroepen.

Is dat nou echt zo? Opeens viel het me op, maar eigenlijk had ik het al veel eerder en heel vaak ervaren: techneuten zijn arrogant, voelen zich boven andere mensen verheven, kijken elitair neer op ‘domme’ alfa’s en gamma’s, ‘nietsnutten’! En misschien zelfs wel terecht! Ik weet nog heel goed dat ik, als vage alfa-dotorandus, zo’n tien jaar geleden apetrots was dat in een publicatie van het Ministerie van Economische Zaken per abuis ‘ir’ voor mijn naam stond. Ik was zo trots dat ik er verder eigenlijk met niemand over durfde te spreken.

Het paradoxale probleem is het volgende. Bèta’s weten alles zo goed en zijn zo rationeel en zo autistisch, dat ze tegelijk alfa’s en gamma’s angst inboezemen, die alfa’s en gamma’s, die leven van sociaal/communicatieve trucjes, er toe brengt zich teweer te stellen met hulp van die trucjes en, dat is het autisme, bèta’s hebben totaal niet in de smiezen hoe superieur ze overkomen en met welke trucjes ze in de verdediging worden teruggedrongen.

Meer techniek, technologie instroom en uitstroom in en uit het onderwijs, meer bèta’s naar de arbeidsmarkt we roepen het allemaal. Maar willen de bèta’s dat eigenlijk wel? Stel je eens voor dat zestig, zeventig procent van de beroepsbevolking echte technoloog zou zijn. Ben je dan nog wel interessant genoeg als techneut? Echte gedreven ingenieurs zijn toch vooral individualisten?

Maar laten we uitgaan van de oprechtheid van de zorg om de terugloop van het aanbod, de sense of urgency van het probleem van schaarste aan technisch/technologisch geschoolde mensen in de arbeidsmarkt. Wat moet er dan in dat kader gebeuren?

Één ding voor alles, dat bèta’s afdalen van hun voetstuk, afdalen naar Jip en Janneke en hun taal, hoe paradoxaal het ook is. Waardering verwerven door van je eigen hoge niveau naar beneden te komen naar het ‘gewone volk’, dat is het eigenlijk. Binnen FHI doen we dat, samen met mbo- en hbo- scholen, bijvoorbeeld door het organiseren van workshops ‘for dummies’, laboratorium technologie for dummies en nanotechnologie for dummies. Dat slaat bruggen.
Na de kromme tenen, tijdens de presentaties en de discussie op die Dag van de Ingenieur, kwam het wonder boven wonder toch nog een beetje goed, bij de verkiezing van de Ingenieur van het Jaar. De winnaar was degene van de drie die naar beneden was gekomen, een ingenieur die zich had verlaagd om zijn talent in dienst te stellen van het bouwen van kledingrekken voor winkels! Pieter Kool doet het allemaal omdat hij het zo mooi en leuk vindt om bezig te zijn met materiaal en functionaliteit. Geen zweem van hunkering naar profilering van zichzelf als manager in wat voor vorm dan ook. “Waar sta je over tien jaar” vroeg KIVI NIRIA voorzitter Martin van Pernis aan hem. “Geen idee, als ik maar dit soort dingen kan blijven doen. Als dat kan bij G-Star Raw, waar ik nu werk, prima. Kan dat niet, dan maar ergens anders”. We noemen dat tegenwoordig ‘authenticiteit’.

De grote winst is dat het gezelschap van ingenieurs, behoorlijk elitair bijeen, het aandurfde om deze er uit te pikken. Nu maar hopen dat het een paradox blijkt te zijn die wordt herkend als wezenlijk en het niet blijft bij een speeltje voor een keer.